Het recent gepubliceerde advies van de Raad van Estado van het Koninkrijk over de consensusrijkswet HOFA (financieel toezicht Aruba) roept fundamentele staatsrechtelijke kritiek op. Volgens hoogleraren staatsrecht Prof. mr. D.J. Elzinga en Prof. mr. J.L.W. Broeksteeg valt dit lang verwacht advies erg tegen en is het een teleurstelling qua analyse en diepgang. Het document gaat voorbij aan de structurele problemen rond de figuur van de consensusrijkswet en behandelt de kritische staatsrechtelijke punten niet ten gronde.
Als het meest problematische element benadrukken de hoogleraren de bevoegdheid waarbij de Rijksministerraad goedkeuring moet verlenen aan de regering van Aruba. Deze constructie past volgens de geldende staatsrechtelijke dogmatiek niet in het stelsel en is daarom juridisch gebrekkig.
De hoofdpunten van de kritiek
• Gebrek aan analyse en diepgang: Ondanks hooggespannen verwachtingen — gevoed door de gepolariseerde verhoudingen op Aruba en het kritische rapport van de Raad van Advies van Aruba — besteedt de Raad van Estado nagenoeg geen aandacht aan de statutaire en staatsrechtelijke dimensies van de wet.
• Gebrekkige goedkeuringsbevoegdheid: Het wetsvoorstel verplicht de regering van Aruba om wijzigingen in de Landsverordening te laten goedkeuren door de Rijksministerraad. De hoogleraren wijzen erop dat besluiten van de ministerraad een intern karakter hebben en geen externe werking (erga omnes) naar derden mogen hebben. Dit druist in tegen het geaccepteerde staatsbestel.
• Vrijwilligheid en “Do ut Des”: Het HOFA-toezicht vloeit voort uit de coronaleningen, waarbij Aruba toegang kreeg tot gunstigere leningen in ruil voor het accepteren van dit toezicht. Deze ongelijke machtsverhouding (“Goliath en de dwerg”) opent de deur naar een structureel verlies van Caribische autonomie.
• Onzekere tijdelijkheid: Het argument dat het HOFA-toezicht tijdelijk is, is niet realistisch. Omdat Aruba zelf geen eenzijdig besluit kan nemen om een einde te maken aan het toezicht (artikel 42 vereist een verzoek aan de Rijksministerraad waarin Nederland dominant is), blijft de dreiging van een langdurige inperking van de autonomie aanwezig.
• Democratisch deficit en budgetrecht: Omdat de Rijkswet voorrang heeft op de Staatsregeling van Aruba en de rol van de Rijksministerraad ongrondwettelijk is verankerd, betogen de auteurs dat een gewone meerderheid in de Staten van Aruba niet volstaat; hiervoor zou minimaal een tweederde meerderheid of een voorafgaande grondwetswijziging nodig zijn.
• Gebrek aan rechtsbescherming: Artikel 32 van de Rijkswet HOFA biedt onvoldoende rechtsbescherming. Er is geen beroep mogelijk tegen een weigering van de Rijksministerraad om het toezicht te beëindigen, hetgeen neerkomt op een situatie waarin “de slager zijn eigen vlees keurt”.
Sterke financiële positie van Aruba roept vragen op
Het artikel werpt tevens de urgente vraag op waarom het strikte HOFA-toezicht nog op zijn plaats is. Uit cijfers van de Raad van Estado zelf blijkt dat de schuld van Aruba in maart 2026 was gedaald tot 61% van het bbp — een lager niveau dan vóór de COVID-19-pandemie — en dat het land de afgelopen jaren structurele begrotingsoverschotten heeft gerealiseerd.
De bestaande LAFT-structuur (Landsverordening Aruba Financieel Toezicht) functioneert sinds 2015 naar behoren. De auteurs concluderen dat de prijs die Aruba betaalt voor de invoering van de Rijkswet HOFA, die aanstuurt op een diepgaande en mogelijk langdurige inperking van de eigen autonomie, in schril contrast staat met de positieve financiële realiteit van het land in het jaar 2026.
