“De Arubaanse politici willen geen toezicht”; voor PPA-fractievoorzitter Eduard Pieters is dat een vals narratief dat is gecreëerd rond de discussie over de Rijkswet HOFA. De PPA is niet tegen financieel toezicht. Integendeel, Pieters stelt dat Aruba een sterke controle moet hebben over de overheidsfinanciën.
Maar hij stelt één fundamentele voorwaarde: het toezicht moet verankerd zijn in de Arubaanse wet en de democratische autoriteit van het Parlement van Aruba respecteren. “Wij geloven in toezicht. Maar kom niet zeggen dat als we de Rijkswet bekritiseren, we geen toezicht willen.”
Controle ja! Macht uit handen geven, nee! Pieters maakt een onderscheid dat centraal moet blijven staan in het debat. Toezicht is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de Regering correct omgaat met publiek geld, de begrotingsdiscipline bewaakt en voorkomt dat de financiën van het land uit de hand lopen. Maar dat rechtvaardigt niet automatisch elke vorm van toezicht.
Pieters wijst er zelfs op dat Aruba zijn eigen controlesysteem kan versterken, bijvoorbeeld met een sterke begrotingskamer. Zijn punt is dat financieel toezicht kan en moet worden georganiseerd binnen Aruba’s eigen rechtstaat. Voor Pieters begint het probleem wanneer toezicht overgaat van het controleren van de Regering naar het bepalen wat Aruba wel of niet mag doen. Dat is geen financieel debat meer; dat is een debat over autonomie.
“Een bank vertelt je niet wat je moet eten” Pieters gebruikte een simpele voorbeeld om zijn zorg toe te lichten. Een burger met een hypotheek tegen een bepaalde rente kan naar een andere bank gaan die een lagere rente biedt. Uiteraard kan de nieuwe bank financiële eisen stellen alvorens de schuld te herfinancieren. Maar er is een grens.
“De bank kan je niet vertellen: vandaag mag je dit eten, morgen moet je iets anders eten en vervolgens bepalen wat je mag kopen.” De vergelijking raakt precies de zorg van de PPA: “Hoeveel macht leveren we in, waarmee we onze Grondstuk/Grondwet breken, in ruil voor een zogenaamd gunstigere financieringsvoorwaarde?”
Volgens Pieters moet die vraag gesteld worden voordat Aruba zich committeert aan een systeem dat mogelijk nog vele jaren langer consequenties heeft dan de huidige Regering.
Wie heeft het voor het zeggen? Voor Pieters is het meest gevoelige punt de positie van het Parlement. Als de essentiële beslissingen van Aruba extern (vanuit Nederland) moeten worden beoordeeld of groen licht moeten krijgen voordat het Parlement van Aruba zijn autoriteit volledig kan uitoefenen, verandert de democratische verhouding.
“Je plaatst een orgaan boven het Parlement van Aruba. Dat bestaat niet in onze Grondwet en is niet onze democratie. Het Parlement kan het Arubaanse volk NIET MEER vertegenwoordigen, maar wordt een uitvoerder van Nederlandse instructies. Dat is geen parlementaire democratie.”
Autonomie is ook verantwoordelijkheid Het verdedigen van autonomie is, volgens Pieters, geen verdediging van financiële onverantwoordelijkheid. De PPA pleit er niet voor dat de Regering grenzeloos uitgeeft, ongecontroleerde schulden creëert of verantwoording ontwijkt. Integendeel: autonomie vereist verantwoordelijkheid. Maar eigen verantwoordelijkheid is niet hetzelfde als eigen gezag inleveren.
Pieters herinnert eraan dat Aruba historisch gezien zijn financiële verplichtingen is nagekomen en “altijd een goede betaler is geweest.” Daarom verwerpt hij elk beeld dat Aruba, zonder een externe constructie, automatisch zijn financiën niet zou kunnen beheren.
Voor de PPA is de lijn helder: toezicht ja, financiële discipline ja, verantwoordelijkheid ja, maar binnen een systeem dat de Grondwet, het Statuut, de wet en de democratie van Aruba respecteert. En precies daar stelt Pieters de vraag die veel verder gaat dan HOFA: “Als we accepteren dat een externe instantie kan bepalen wat Aruba vandaag mag beslissen, waar leggen we morgen dan precies de grens?”
