Na verscheidene maanden van stilte en uitsluiting treedt het debat rondom de Rijkswet Aruba Financieel Toezicht (HOFA) opnieuw een fase van politieke consternatie binnen. Onlangs verbrak de voorzitter van de Staten, Marlon Sneek, zijn stilzwijgen om verklaringen af te leggen die voor veel waarnemers overkomen als een poging om “te ontwaken uit een diepe slaap”, nadat hij maandenlang heeft toegestaan dat het instituut dat hij beweert te vertegenwoordigen, buitenspel werd gezet.
Bij herhaling is dezelfde kritiek geuit dat het HOFA-proces het Parlement van Aruba de facto het zwijgen heeft opgelegd. “ER IS GEEN CONSENSUS.” Zoals eerder opgemerkt, zijn politici zoals minister Geoffrey Wever, Gerlien Croes en Mike Eman erom beschuldigd het land te hebben verraden door achter de rug van het Arubaanse volk om een consensus in Nederland te zoeken, zonder dat er consensus is binnen het Parlement van Aruba.
De recente uitspraken van Sneek trekken echter niet alleen de aandacht vanwege zijn poging om met de huidige realiteit te leven, maar ook omdat hij als politicus zijn discours inkadert door de commerciële brancheorganisaties als schild te gebruiken. Hij geeft hiermee aan dat zij het eens zijn met de wet, ongeacht het feit dat dit kan betekenen dat Aruba zijn eigen soevereine beslissingsrechten verliest. Nog ernstiger: een grondige analyse van zijn eigen woorden laat duidelijk zien dat de parlementsvoorzitter de materie van de HOFA structureel niet begrijpt.
De tegenstrijdigheid in zijn eigen bewoordingen
In een poging om een lesje staatsrecht te geven, probeerde Sneek het proces uit te leggen door de wet in twee routes te splitsen:
“Over de Rijkswet wordt niet gestemd op Aruba… het is in de Tweede Kamer waar het formele debat plaatsvindt… Waar Aruba mee te maken krijgt, is de Landsverordening.”
Sneek gebruikt de juridische term van een “hybride Rijkswet” om te rechtvaardigen dat Nederland over het ene deel stemt en Aruba over het andere. Maar wat de parlementsvoorzitter inherent vergeet, hetzij door een gebrek aan kennis of uit politiek gewin, is het werkelijke gewicht van een nationale consensus.
Wanneer een consensus-Rijkswet in werking treedt, bindt de juridische superioriteit van het Koninkrijk de handen van het Arubaanse parlement. Om de materie naar een begrijpelijk niveau te brengen: hoewel Aruba over een Landsverordening moet stemmen, heeft ons parlement niet de reële vrijheid om af te wijken van wat al in de Rijkswet in Nederland is overeengekomen, zonder in een structureel koninkrijksconflict terecht te komen. Het idee verkopen dat “we nog steeds de controle hebben” simpelweg omdat het parlement over een lokale landsverordening moet stemmen, is een gevaarlijk reductionisme van de zaak.
Schuilen achter brancheorganisaties en “formele stappen”
Een ander punt dat veel wenkbrauwen deed fronsen in de gemeenschap is het gemak waarmee Sneek namens de brancheorganisaties spreekt en bevestigt dat de commerciële sector “wél akkoord gaat met de wet”. Deze verklaring legt de analytische verdeeldheid bloot: terwijl de vakbonden vechten voor het zelfbeschikkingsrecht en de bescherming van de werknemer tegen externe dictaten, lijkt de leiding van het parlement meer genoegen te nemen met besluiten die vanuit Den Haag worden genomen, zolang de commerciële instanties maar tevreden zijn. Sneek vergeet dat de stoel waarop hij vandaag zelf zit, in gevaar is.
Aan het einde van zijn verklaring roept Sneek op om de adviezen van de Raad van Advies op Aruba en de Raad van State in Nederland op te volgen. Ondertussen tikt de tijd door. De indruk die achterblijft is dat Aruba, in plaats van een defensieve leider van het eerste staatsorgaan, een parlementsvoorzitter heeft die onlangs uit het graf is opgestaan om de realiteit te aanvaarden, maar die nog steeds niet het vermogen of de wil heeft om te luisteren naar het werkelijke gevaar dat de HOFA vormt voor de autonomie van ons land.
Er rijzen echter verschillende vragen op basis van de verklaring die de parlementsvoorzitter onlangs heeft afgelegd, over de vraag of parlementsvoorzitter Marlon Sneek zich werkelijk bewust is van de HOFA en zijn taken als voorzitter.
Vragen
Over het “stemrecht” en de autonomie van het parlement
-
Vraag 1: “Voorzitter, u legt uit dat het Parlement van Aruba over de Landsverordening zal stemmen en de Tweede Kamer over de Rijkswet. Maar structureel gesproken, als het Parlement van Aruba tegenstemt of vraagt om essentiële artikelen van de Landsverordening te wijzigen, wordt de structurele Rijkswet in Nederland dan niet beïnvloed? Hebben wij de reële vrijheid om de voorwaarden te wijzigen, of is ons parlement simpelweg een ‘stempelmachine’ geworden om te legaliseren wat in Nederland is besloten?”
-
Vraag 2: “Als de Rijkswet juridisch superieur is aan onze Landsverordening, hoe kunt u het volk dan garanderen dat Aruba zijn beslissingsrecht niet verliest, wanneer de Landsverordening juridisch onterecht gekoppeld moet worden aan wat de Tweede Kamer al heeft goedgekeurd?”
Over de verdediging van brancheorganisaties versus het volk
-
Vraag 3: “U noemde in uw verklaring dat de commerciële brancheorganisaties ‘wél akkoord gaan met de wet’, terwijl de vakbonden het er niet mee eens zijn. Als parlementsvoorzitter die zogenaamd het hele volk vertegenwoordigt en niet slechts één sector, waarom weegt de mening van de commerciële sector zwaarder voor u dan de zorgen van de vakbonden over het verlies van zelfbeschikking?”
-
Vraag 4: “Gelooft u dat het economisch welzijn van de commerciële brancheorganisaties boven het constitutionele recht van Aruba moet worden geplaatst om over de eigen financiën te regeren?”
Over de beschuldiging van “stilzwijgen en politiek verraad”
-
Vraag 5: “Politici uit verschillende sectoren beschuldigen ministers en parlementsleden van verraad aan Aruba door achter de rug van het volk om een consensus met Nederland te zoeken over de HOFA-materie. Waarom heeft het parlement er zo lang over gedaan – verscheidene maanden – om dit publieke debat structureel op te starten, aangezien het gevaar voor onze status aparte al van veel eerder dreigt?”
-
Vraag 6: “Als u zich ervan bewust bent dat het formele en constitutionele debat beschermd moet worden, waarom heeft u dan niet eerder structurele vergaderingen of bijeenkomsten bijeengeroepen om de HOFA structureel te debatteren, in plaats van te wachten tot de wet praktisch al is beklonken in de Tweede Kamer? Is dit een werkwijze in het belang van het volk, of is dit verraad aan het volk?”
Om de fout in zijn definitie van een “hybride wet” bloot te leggen
-
Vraag 7: “Er wordt gesproken over een ‘hybride Rijkswet’. Deskundigen op het gebied van staatsrecht stellen dat deze ‘hybriditeit’ slechts een mooie manier is om het verlies van autonomie te verkopen. Als het einddoel van de wet is dat een toezichthoudend orgaan (zoals het CAft of de nieuwe structurele versie) dictaten oplegt aan onze begroting, waar komt het ‘hybride’ deel dan ten goede aan Aruba, en waar komt het structureel ten goede aan Nederland? Wie profiteert er nu werkelijk van het HOFA-Rijkswetsvoorstel?
