De rechter van het Gerecht in eerste aanleg heeft vandaag het verzoek behandeld van M.E. de Meza, ingediend op grond van artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering. De verzoeker stelt dat hij door de formateur is geïnformeerd dat hij door het openbaar ministerie als verdachte is aangemerkt naar aanleiding van een aangifte door de inspecteur. Met dit verzoek wordt de rechter gevraagd om het openbaar ministerie op te dragen om hem te informeren over de aard en de reden van de verdenking tegen hem.
Artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering houdt in dat een burger de rechter kan verzoeken een oplossing te bieden wanneer zich een probleem voordoet waarvoor geen specifieke wettelijke regeling bestaat, maar dat desondanks dringend moet worden opgelost. De rechter kan in dat geval met een passende maatregel komen om een goed en eerlijk verloop van het strafproces te waarborgen.
Ter onderbouwing van zijn verzoek doet de verzoeker een beroep op het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, de Staatsregeling en de Richtlijn 2012/13/EU van het Europese Parlement en de Raad die gaat over het recht op informatie in strafprocedures. Daarin wordt bepaald dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht heeft op informatie over de aard en reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging.
Van vervolging van de verzoeker is op dit moment echter geen sprake. De verzoeker is bovendien niet aangehouden en ook niet uitgenodigd voor verhoor – momenten waarop een verdachte formeel op de hoogte moet worden gesteld van het feit dat hij wordt verdacht of beschuldigd van het plegen van een strafbaar feit. Dit geldt voor iedere burger die verdachte is dus ook voor verzoeker. Het openbaar ministerie ziet geen reden hiervan af te wijken in het geval van verzoeker. Het openbaar ministerie heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen.
De screeningsprocedure van kandidaat-ministers
Gelet op de geheimhoudingsplicht die geldt voor eenieder die betrokken is bij de uitvoering van de Landsverordening integriteit ministers kan het openbaar ministerie zich niet uitlaten over de bewering van verzoeker dat hij van de formateur heeft vernomen dat hij verdachte is van een strafbaar feit.
Het openbaar ministerie kan slechts in algemene zin opmerken dat de wetgever in die Landsverordening de procureur-generaal heeft opgedragen justitieel onderzoek te verrichten naar de kandidaat-ministers. Ook moet de procureur-generaal van de wetgever een verklaring verstrekken aan de formateur en de gouverneur, waaruit blijkt of de kandidaat verdachte is van een misdrijf in een lopend onderzoek. De wetgever bepaalt dus de regels, de wettelijke taken en plichten van het openbaar ministerie. De burger bepaalt zelf het moment van zijn aangifte.
De rechter zal zo snel mogelijk uitspraak doen, in elk geval binnen een week. De centrale vraag is daarbij of voor een burger die kandidaat-minister een uitzondering moet worden gemaakt ten opzichte van iedere andere burger.
