Vanochtend heeft de rechter uitspraak gedaan in de strafzaak die het Openbaar Ministerie had aangespannen tegen de Colombiaanse man C. (55). Hoewel de officier van justitie C. schuldig achtte, had de rechter twijfels.
De officier van justitie had 3 jaar gevangenisstraf geëist tegen C., die volgens het OM schuldig was aan de verkrachting van vrouw H. op 14 maart 2024. De rechter zei echter te twijfelen of C. H. daadwerkelijk had verkracht, onder meer omdat zij al enige tijd een liefdesrelatie hadden.
DE VERMEENDE VERKRACHTING
Tijdens de behandeling van de zaak op 12 januari 2026 verklaarde C. dat hij H. kende, die in november–december 2023 uit Nederland was gekomen. H. verbleef in een appartement in de buurt van C. Volgens C. kenden zij elkaar al een tijd en hadden zij een romantische relatie. De rechter merkte op dat H. bij de politie had verklaard dat zij al vóór 14 maart 2024 seks met C. had gehad.
C. vertelde dat hij op 14 maart jarig was en dat zij hadden gepland om uit te gaan. H. kwam laat aan en C. maakte een rum-cola voor haar. Daarna gingen ze uit eten en dronken alcohol. Vervolgens gingen ze terug naar huis.
Volgens C. gaf hij H. thuis een massage en viel zij in slaap op de massagetafel. De rechter zei dat H. had verklaard dat C. haar kleren had uitgetrokken en haar had gemasseerd.
C. ontkende dat hij haar had gedwongen of verkracht. Hij zei dat hij op een gegeven moment seks wilde, maar dat H. opstond en “nee” zei en naar haar slaapkamer ging. C. bleef in de woonkamer. Enkele dagen later pakte H. al haar spullen en verliet het huis.
De rechter zei dat C.’s verklaring grotendeels overeenkwam met wat H. bij de politie had verteld. H. verklaarde echter dat toen zij “nee” zei, C. toch doorging en seks met haar had. Zij zei dat zij bleef zeggen dat ze het niet wilde, waarna C. stopte.
C. vertelde dat H. hem later had gezegd dat zij op 14 maart een flashback had gekregen van iets wat in het verleden met een andere man was gebeurd, waarbij zij tegen haar wil seks had gehad.
De kernvraag volgens de rechter was of C. H. had gedwongen tot seks. Pas in april 2024 deed H. aangifte, op het moment dat C. contact met haar zocht om hun relatie te herstellen.
OFFICIER VAN JUSTITIE EIST 3 JAAR GEVANGENIS
De officier van justitie zei dat H.’s verklaring overeenkwam met wat zij haar vrienden had verteld. H. had wel een seksuele relatie met C., maar wilde stoppen en vrienden blijven. Op 14 maart 2024 ging C. volgens haar toch door, ondanks dat zij had gezegd dat hij moest stoppen. Toen zij begon te huilen, stopte hij.
Volgens de officier hadden H.’s vrienden verklaard dat H. hen had verteld dat zij was verkracht en emotioneel was. De officier meende dat er ondersteunend bewijs was en dat C.’s eigen verklaring bevestigde wat er was gebeurd. Drie dagen na het incident verliet H. het huis van C. Daarom eiste het OM 3 jaar gevangenisstraf.
VERDEDIGING: GEEN BEWIJS VAN VERKRACHTING
Advocaat mr. Illes stelde dat er geen enkel bewijs van verkrachting was, alleen de verklaring van H. Hij betoogde dat emoties geen basis mogen zijn voor een veroordeling.
Volgens hem zaten er twijfels in H.’s verklaring. Hij wees erop dat C. en H. een relatie hadden en samen in C.’s huis verbleven. In zijn visie had H. zelf haar kleren uitgetrokken en op de massagetafel gelegen. Er was geen dwang en geen penetratie.
Toen C. seks wilde, zei H. nee en stopte hij onmiddellijk. De advocaat wees er bovendien op dat H. na het incident nog naar C.’s werkplek bleef gaan, wat volgens hem niet past bij iemand die verkracht zou zijn.
Hij benadrukte dat C. open was geweest en niets had verborgen. C. wilde wel seks, maar stopte zodra H. nee zei. De advocaat vond dat er geen ondersteunend bewijs was en vroeg om vrijspraak.
RECHTER SPREEKT MAN VRIJ
De rechter benadrukte dat een beschuldiging van verkrachting zeer ernstig is. In zulke zaken zijn er altijd twee personen: de verdachte en het vermeende slachtoffer. Volgens de wet mag een veroordeling niet uitsluitend gebaseerd zijn op de verklaring van het slachtoffer; er moet overtuigend ondersteunend bewijs zijn.
De rechter stelde vast dat C. en H. een bestaande relatie hadden. H. woonde in de buurt van C. en zij hadden eerder consensuele seks gehad. Op de dag van het incident viel H. in slaap op de massagetafel terwijl C. haar aanraakte. H. zei dat er seksueel contact was tegen haar wil.
De rechter concludeerde echter dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld wat er precies was gebeurd en dat niet bewezen kon worden dat C. seks had gehad tegen H.’s wil. Dat H. emotioneel was, kon ook andere oorzaken hebben.
Omdat er redelijke twijfel bleef bestaan, sprak de rechter C. vrij. Men zag dat C.’s ogen zich vulden met tranen van blijdschap.
